Wanneer een volk plotseling zijn koningin kwijt is en geschikt jong broed heeft, kan het werkstersbroed ombouwen tot koninginnencellen. Dat noemen we redcellen. Wie de tijdlijn begrijpt, voorkomt veel onnodig ingrijpen.
Waarom alleen heel jong broed geschikt is
Een koningin ontstaat uit hetzelfde vrouwelijke ei als een werkster, maar krijgt een ander voedingsregime en een grotere cel. Hoe jonger de larve wanneer de bijen beginnen, hoe meer van haar ontwikkeling als koningin plaatsvindt.
D0: de koningin ontbreekt
Vanaf het moment dat het volk moerloos wordt, verandert het gedrag. De bijen herkennen het ontbreken van koninginnenferomonen en beginnen geschikte jonge larven op te waarderen.
De eerste dagen: cellen worden uitgebouwd
De gekozen cellen worden naar beneden uitgebouwd. In deze fase wil je het volk vooral voldoende bijen, voer en rust geven.
Rond D8-D9: cellen zijn gesloten
Koninginnencellen worden eerder gesloten dan veel beginnende imkers verwachten. Daarom gebruiken wij in koninginnenteelt graag een D-notatie: niet “volgende week ergens”, maar exact weten in welke ontwikkelingsfase je zit.
Daarna: geduld
Na uitlopen moet een jonge koningin nog rijpen, bruidsvluchten maken en vervolgens beginnen te leggen. Slecht weer kan die periode verlengen. Een kast telkens openen omdat je na enkele dagen nog geen eitjes ziet, helpt niet.
Praktijkles
Maak bij het maken van de aflegger meteen een datumkaart. Noteer D0 en de verwachte controlemomenten. Dat voorkomt dat je later moet gokken hoe oud een dop of jonge moer ongeveer is.
Lees verder in onze uitleg over D-notatie en de controle na de bruidsvlucht.
← Naar het Honingboerke imkerboek
Wat wij willen zien na het moerloos maken
Wanneer een volk zijn koningin verliest en nog geschikt jong broed heeft, kan het zelf redcellen aanzetten. Voor ons is dat geen reden om meteen iedere dag te controleren. Juist de tijdlijn is belangrijk: eerst moet het volk vaststellen dat de moer ontbreekt, daarna worden geschikte larven verder gevoerd als toekomstige koningin.
Bij onze eigen teelt gebruiken we daarom D-notatie. D0 is het moment waarop de oude moer wordt weggenomen of de teelt start. Rond D9 volgt een belangrijk controlemoment. Dan weten we dat er geen nieuw bevrucht eitje meer kan zijn gelegd door de oude moer en kunnen we gericht beoordelen welke koninginnencellen aanwezig zijn en welke in het teeltplan passen.
Niet alleen naar de dop kijken
Een grote koninginnencel zegt op zichzelf weinig. Kijk ook naar de rest van het volk: is er voer, blijft het broed verzorgd, is de bijenbezetting goed en is de tijdlijn logisch? Door al die signalen samen te nemen voorkom je dat je een dop verkeerd interpreteert.
Veelgemaakte fout: te vroeg concluderen dat een aflegger mislukt is. Tussen redcel, uitlopen, rijpen, bruidsvlucht en de eerste eitjes zitten meerdere fases waarin je nog geen leggende koningin ziet.
Zie ook koninginnenteelt in D-notatie en wanneer wij een jonge koningin controleren.