Een goede kastcontrole begint vóór je het dak optilt. De belangrijkste les die wij in onze eigen imkerij hebben geleerd: open nooit een volk zonder te weten welke vraag je wilt beantwoorden. Anders blader je twintig minuten door ramen en weet je na afloop nog steeds niet wat je eigenlijk gezien hebt.
Onze vijf vragen bij bijna iedere controle
- Is het volk moergoed?
- Hoe ziet het broednest eruit?
- Is er voldoende voer?
- Heeft het volk genoeg ruimte?
- Zijn er afwijkingen: doppen, ziekteverschijnselen of opvallend gedrag?
1. Begin al vóór het openen
Kijk naar het vlieggat. Wordt er pollen binnengebracht? Is er normale vlucht? Liggen er opvallend veel dode bijen? Een buitencontrole vervangt geen inspectie, maar geeft je wel context.
2. Werk rustig van buiten naar binnen
Maak ruimte door het eerste raam voorzichtig uit te nemen. Houd ramen boven de kast en werk zonder schokken. Wij proberen zo min mogelijk bijen te rollen tussen ramen en kastwand.
3. Zoek niet automatisch naar de koningin
Verse eitjes en heel jonge larven vertellen vaak al genoeg: er was kort geleden een leggende koningin aanwezig. Alleen wanneer het doel van de controle vereist dat we de moer daadwerkelijk vinden, gaan we gericht zoeken.
4. Lees het broednest als één geheel
Een mooi broednest is niet alleen ‘veel gesloten broed’. Kijk naar verschillende stadia: eitjes, open broed en gesloten broed. Zo zie je continuïteit. Een enkel mooi raam zegt minder dan het patroon over meerdere ramen.
5. Controleer voer en ruimte
Kijk of er nectar/honing en stuifmeel aanwezig zijn en of het volk nog voldoende vrije cellen heeft voor de koningin. Een sterk groeiend volk kan snel van ruim naar krap gaan.
6. Stop wanneer je antwoord hebt
Dat is misschien de belangrijkste praktijktip. Een kast hoeft niet volledig uit elkaar omdat hij eenmaal openstaat. Wanneer je doel bereikt is, bouw je de kast rustig terug op.
Onze les
Goede imkers kijken niet méér, maar gerichter. Hoe beter je vooraf weet wat je wilt controleren, hoe korter en rustiger de inspectie wordt.
Lees hierna hoe je een broedraam leest en hoe je beoordeelt of een volk echt moerloos is.
← Naar het Honingboerke imkerboek
Onze vaste volgorde voorkomt onnodig zoeken
Een bijenkast openen zonder vooraf te weten wat je wilt controleren kost tijd en onrust. Wij beginnen daarom buiten de kast: vliegactiviteit, opvallend gedrag en de algemene toestand. Daarna pas gaat het deksel eraf.
De volgorde die wij aanhouden
- doel van de inspectie bepalen;
- voer en ruimte beoordelen;
- broednest lezen;
- moerstatus afleiden uit eitjes en jong broed;
- controleren op afwijkingen zoals doppen, onrust of beschadigde raat;
- kast sluiten zodra de vraag beantwoord is.
De koningin zelf zien is mooi, maar vaak niet nodig. Verse eitjes vertellen meestal al genoeg. Daardoor blijft de inspectie korter en voorkom je dat je elk raam eindeloos blijft afzoeken.
Praktijktip: schrijf één regel op na iedere controle: moerstatus, broed, voer, ruimte en actie. Zo wordt de volgende inspectie veel gerichter.
Gebruik hierbij ook onze uitleg over moerloosheid herkennen en zwermdrang zien aankomen.